“We willen het transportsysteem in de cel versterken, zodat de cel zichzelf beter kan beschermen tegen de mechanismen die tot de ziekte van Parkinson leiden.”
– Prof. Peter Vangheluwe, KU Leuven
Prof. Peter Vangheluwe is hoogleraar aan de KU Leuven en hoofd van het Laboratory of Cellular Transport Systems. Zijn onderzoeksgroep bestudeert transportsystemen in de cel en hun rol bij de ziekte van Parkinson en andere ziekten.
In 2026 verstrekte de Demoucelle Parkinson Charity startfinanciering voor het hieronder beschreven onderzoeksproject:
—–
Hoe bent u in het parkinsononderzoek terechtgekomen, en waar richt uw eigen onderzoek zich op?
“We zijn zo’n vijftien à twintig jaar geleden gestart vanuit een heel fundamentele vraag: hoe houden cellen zich gezond? Een cel neemt voortdurend stoffen op, verplaatst ze en geeft afvalstoffen weer vrij. Daarvoor heeft ze heel wat transportsystemen nodig. Het bleek dat veel van die transportsystemen defect zijn bij heel wat ziektes. Wij bestudeerden die transportsystemen om ze beter te begrijpen en uiteindelijk ook te kunnen verbeteren. Zo zijn we terechtgekomen bij een transporter die we ATP13A2 noemen. Die blijkt een belangrijke rol te spelen bij de ziekte van Parkinson: als hij defect is, kan dat tot een zeer ernstige variant van de ziekte leiden.”
Wat doet ATP13A2 precies, en waarom is dat zo belangrijk?
“Er was aanvankelijk weinig geweten over wat die transporter precies doet. We ontdekten dat hij actief is in de lysosomen, een onderdeel van de cel dat je kan vergelijken met een recyclagepark: er komen afvalstoffen binnen, die worden afgebroken, en de bouwstoffen die daarbij vrijkomen worden weer aan de cel teruggegeven.
Het bleek dat ATP13A2 daar een belangrijke rol speelt: hij verplaatst bepaalde stoffen, polyamines genoemd, vanuit het recyclagepark terug naar de rest van de cel. Werkt ATP13A2 niet goed, dan kunnen polyamines zich opstapelen in het recyclagepark, terwijl ze elders in de cel net nodig zijn. We weten bovendien dat dit recyclagepark bij de ziekte van Parkinson vaak niet goed functioneert. Onze taak is om beter te begrijpen hoe dit komt.”
U spreekt over polyamines. Wat zijn dat precies?
“Polyamines zijn heel eenvoudige stofjes. We halen ze deels uit onze voeding, maar de cellen maken ze ook zelf aan. Ze doen heel wat tegelijk: ze helpen de cel beschermen tegen beschadiging, spelen een rol bij het onder controle houden van ontstekingsreacties en zijn betrokken bij belangrijke processen in de cel, zoals de aanmaak van eiwitten.
Je kan ze dus zien als stoffen die mee helpen om de cel gezond te houden. Precies omdat ze in zoveel processen een rol spelen, moet de hoeveelheid polyamines in balans blijven en goed verdeeld worden: te weinig is niet goed, maar te veel evenmin.
Hoe hangt dat samen met wat mensen doorgaans over de ziekte van Parkinson weten, zoals het afsterven van dopaminerge cellen?
“Bij de ziekte van Parkinson gaan dopaminerge zenuwcellen, de cellen die dopamine aanmaken, geleidelijk verloren. Daar lijken verschillende processen aan bij te dragen. Zo werken niet alleen het recyclagepark maar ook de energiefabriekjes van de cel, de mitochondriën, minder goed. Daardoor kunnen die zenuwcellen kwetsbaarder worden voor beschadiging.
Ook de helpercellen van de zenuwcellen spelen mee. Hebben zij te weinig polyamines, dan kunnen ze ontstekingsreacties aanwakkeren, wat de zenuwcellen extra onder druk zet.
Onze hypothese is dat we, door ATP13A2 beter te doen werken, op verschillende plekken tegelijk kunnen ingrijpen: het recyclagepark ontlasten, de energiefabriekjes van beschermende polyamines voorzien, de helpercellen ondersteunen en de ontstekingsreacties onderdrukken.
Mogelijk kan een betere werking van het recyclagepark ook helpen om de opstapeling van alfa-synucleïne tegen te gaan, een eiwit dat opstapelt en sterk met de ziekte van Parkinson wordt geassocieerd.
Dat alles is nog niet bewezen. We zien wel aanwijzingen dat polyamines op die verschillende processen invloed hebben, maar er zijn verschillende meningen over hoe groot die invloed precies is binnen de ziekte van Parkinson. Dat is net wat we verder willen onderzoeken.”
Speelt dit mechanisme bij alle mensen met de ziekte van Parkinson, of vooral bij bepaalde vormen?
“Mijn aanvoelen is dat dit relatief breed speelt, maar dat weten we nog niet zeker. Bij een grote groep mensen met de ziekte van Parkinson zijn veranderingen in de balans van polyamines vastgesteld, zowel in het bloed als in de hersenen. Dat is een aanwijzing dat er met die polyamines iets misloopt.
Maar de ziekte van Parkinson ziet er niet bij iedereen hetzelfde uit. Het kan dus goed zijn dat bepaalde groepen patiënten daar meer last van hebben dan andere.
We leren bijvoorbeeld veel van een groep patiënten met een foutje in het gen van ATP13A2, waardoor die transporter niet goed werkt. Op die groep focussen we sterk: we brengen in kaart wat er bij hen in de hersenen en in het bloed gebeurt, zodat we een duidelijk profiel krijgen van wat er precies misloopt.
Dat profiel gebruiken we vervolgens om te testen of er binnen de bredere groep mensen met de ziekte van Parkinson ook andere patiënten dezelfde kenmerken vertonen? Zo ja, dan spelen ATP13A2 en polyamines wellicht ook bij hen een rol, en zouden zij mogelijk het meest gebaat zijn bij een therapie die op die balans inspeelt.
Dat is een oefening die we nu aan het maken zijn. Het is nog te vroeg om te voorspellen hoe dat precies zal uitvallen.”
Welke rol speelt filantropie in dit soort onderzoek?
” Wetenschappelijk onderzoek is heel competitief. Je doet in het labo een fundamentele ontdekking waardoor een idee ontstaat voor een nieuwe therapie, maar dan volgt de vraag: hoe vertaal je dat idee naar een echte therapie voor de patiënt?
Precies in dat tussenstuk, tussen die eerste ontdekking waaruit een nieuwe therapie kan volgen en de klinische fase, zit een grote financieringskloof. Klassieke financieringskanalen zijn gebonden aan voorwaarden en bieden niet altijd voldoende ruimte om veelbelovende nieuwe ideeën verder te ontwikkelen.
Net daar kan filantropie het verschil maken: ze geeft onderzoekers de ruimte om die eerste belangrijke stappen te zetten en resultaten te ontwikkelen die op hun beurt weer andere investeerders kunnen overtuigen. Zo kan je geleidelijk een grotere weg uitrollen.
Het is daarbij ook belangrijk om, samen met de wetenschappelijke wereld, te bepalen welke ideeën die steun het meest verdienen. Er zijn immers heel veel goede ideeën, maar te weinig middelen om ze allemaal tegelijk uit te werken. Zo’n keuze maken en mee sturen naar waar de hoogste noden liggen is net waar filantropie een grote rol in kan spelen.
De Michael J. Fox Foundation heeft bijvoorbeeld een groot aantal mogelijke nieuwe doelwitten voor Parkinsononderzoek en therapie in kaart gebracht. ATP13A2 behoort tot de veelbelovende nieuwere doelwitten die verder worden onderzocht. Zulke keuzes kunnen het onderzoek doelgerichter maken. »
“Onze specifieke aanpak rond ATP13A2 en polyamines is nog een relatief nieuwe piste. Dat maakt het onderzoek bijzonder, maar betekent ook dat we zelf voorop moeten blijven lopen en nieuwe wegen moeten blijven banen als we er uiteindelijk echt een verschil mee willen maken voor patiënten.”




